Naar de dierentuin gaan: wel of niet oké?

Ik werkte ooit bij de Apenheul en daar gebeurden af en toe opmerkelijke dingen. Het handjevol verhalen uit die tijd zijn de meest uitgemolken anekdotes die ik in mijn repertoire heb. Anekdotes waar mijn omgeving inmiddels al leip van wordt. Daarom nu geen geinige observaties over het wel en wee van leven met apen, maar een overpeinzing: een dierentuin, moet ik dat leuk willen vinden?

Ooit vroeg ik op de basisschool een vriendje mee naar de dierentuin. Die wilde niet, want dierentuinen waren zielig. Ik ging wel, maar liep de hele middag met een knagend gevoel rond.

Ik zal het opbiechten: ik houd van dierentuinen. Niet alleen van de dieren, maar de hele gemaakte sfeer die zo’n plek ademt: de piepschuimen rotsen en compleet nagemaakte koraalriffen en vochtige jungles vind ik heerlijk. Zelfs de volle veel te dure restaurants waar je je kaaskroketje in een mandje van bamboe krijgt vullen me met een vreemd soort verwondering. Misschien is het een overblijfsel uit het tijdperk van kinderfeestjes en schoolreisjes, maar ik ben dus behoorlijk bevooroordeeld als het om dierentuinen gaat.

Tegelijkertijd vind ik het wel zielig als honden in kleine kennels leven, katten nooit naar buiten mogen of vogels in kooitjes worden gehouden. ‘Die beesten moeten vliegen!’ weent mijn hart als ik ze zie. Maar in een dierentuin kan ik dit vreemd genoeg snel vergeten. Ik weet uit ervaring hoe veel de verzorgers in de Nederlandse dierentuinen van de dieren houden en hoe goed er over het algemeen voor ze gezorgd wordt. Daarnaast ben ik ook vatbaar voor het educatieve argument. Het onderwijzen van kinderen in het belang van biodiversiteit en natuurbehoud vind ik zeer belangrijk.

[pullquote]Toch heb ik ook flinke bedenkingen bij het dierentuinwezen[/pullquote]

Ik leefde altijd in de naïeve veronderstelling dat de fokprogramma’s van dierentuinen er voor dienden om dieren terug naar het wild te brengen, maar een korte Google-sessie leert dat de fokprogramma’s voornamelijk lijken te bestaan om de Europese dierentuinpopulatie in stand te houden. Af en toe worden er dieren uitgezet naar hun oorspronkelijke omgeving, maar dat is maar zelden. Ja, een bedreigde diersoort wordt zo gered, maar leeft uiteindelijk alleen nog maar in gevangenschap.

De afgelopen jaren groeide de aandacht voor de schaduwzijde van de fokprogramma’s: er ontstaat een overschot aan dieren die vervolgens worden gedood omdat ze nergens geplaatst kunnen worden. Zo ontstond er in 2014 een enorme ophef over een gezonde giraf die in Denemarken werd gedood omdat er elders geen vraag was naar giraffen. Het vlees van de giraf werd aan de leeuwen gevoerd (wat in veel artikelen als luguber wordt neergezet, maar wat ik dan weer het enige positieve vind aan het verhaal). Het nieuws zorgde voor enorme ophef in heel Europa en ook in Nederland bleken er elk jaar gezonde dieren te worden ge-euthanaseert: zowel cavia’s als grote zoogdieren.

Een oplossing

De Partij voor de Dieren vindt dierentuinen niet meer van deze tijd, omdat zij puur en alleen voor vermaak zouden dienen. Zij pleiten er dan ook voor om elke dierentuin om te bouwen tot dierenopvang, waar dieren terecht kunnen die niet meer in het wild kunnen leven. Persoonlijk zou ik mijn dierentuinpleziertje er graag voor op willen geven als al het geld van de kaartverkoop zou gaan naar het behoud van de dieren in het wild. Maar ja: wie koopt er kaartjes voor iets wat ze niet mogen zien?

Als de idealistische wil er is, is er dan niet een manier om dierentuinen langzaam te vervangen door opvangen?

Toen ik de standpunten van de PvdD las moest ik denken aan een gesprek wat ik tien jaar geleden had met een verzorger in de Apenheul. ‘Het liefst zouden we hier helemaal geen bezoekers willen,’ zei ze. ‘Het gaat me puur om de apen, en die hebben meer last dan profijt van de bezoekers.’

Dit kan ik beamen: het kwam regelmatig voor dat een bezoeker een aap probeerde te lokken met bijvoorbeeld een paracetamolletje. Onschadelijk voor een mens, maar potentieel dodelijk voor een kapucijnaapje. Terwijl ik daar werkte hoorde ik dat er per jaar gemiddeld drie apen stierven door het eten van de verkeerde dingen die door bezoekers werden meegebracht. Dit kan een gerucht zijn geweest, want officiële bronnen heb ik hier nooit over gevonden, maar voor mij klinkt het zeker niet onaannemelijk.

‘De bezoekers zijn een noodzakelijk kwaad.’ Verzuchtte mijn collega. ‘Zonder kaartverkoop geen Apenheul.’

Ik vraag me af: als de idealistische wil er is, is er dan niet een manier om dierentuinen langzaam te vervangen door opvangen? Of is het bij veel dierentuinen toch niet het dierenwelzijn, maar de commerciële waarde die voorop staat? Niet uit noodzakelijk kwaad, maar omdat het simpelweg geld in het laatje brengt?

Ik las een interview met Marcel Boekhoorn, de miljardair die twee reuzenpanda’s naar Ouwehands Dierenpark gaat halen. Hij vindt naar eigen zeggen natuurbehoud zeer belangrijk. “Er is maar één aarde. Bijdragen aan het behoud van de panda is mijn bijdrage,” zegt hij in het interview met het AD. Eerder in het gesprek zegt hij het volgende:

“Vanaf minuut één toen ik de dierentuin kocht, in 2000, dacht ik: hoe kom ik aan panda’s? Iedereen zei: dat is onmogelijk.”

Haalt hij ze juist daarom naar Nederland? Een grijns van oor tot oor: “Natuurlijk! Het woord ‘nee’ ken ik niet.” Hij glundert bij het idee dat er files in de hele provincie zullen staan om de panda’s te bezichtigen. Ik ben benieuwd wat mijn ex-collega van de Apenheul hier van zou vinden.

Meer lezen

We onderzochten: hebben dieren een bewustzijn?

Reageer op artikel:
Naar de dierentuin gaan: wel of niet oké?
Sluiten