Sophie Rietmulder
Sophie Rietmulder Psychologie Vandaag
Leestijd: 4 minuten

Ben je onzeker over jezelf? Dat heeft níks met je prestaties te maken, maar met dit fenomeen

Je kunt hard werken, goede resultaten behalen en toch het gevoel hebben dat je door de mand gaat vallen. Alsof je succes vooral toeval is en anderen elk moment kunnen ontdekken dat je het eigenlijk niet écht kunt. Dat gevoel staat bekend als imposter syndrome en komt vaker voor dan veel mensen denken, vooral bij ambitieuze en betrokken mensen.

Een vervelend gevoel, maar ook een gevoel dat vanuit een diepere plek komt dan je misschien dacht. Nieuw psychologisch onderzoek laat zien dat dit gevoel sterk samenhangt met bepaalde vormen van perfectionisme. Niet met alle vormen, en juist dat onderscheid helpt om onzekere gevoelens beter te begrijpen en er milder mee om te gaan.

Hoe dat precies zit? Dat legt Sophie, redacteur bij BEDROCK en zelfbenoemd perfectionist mét imposter syndrome, je uit.

Perfectionisme is niet één ding

Ik zie mezelf nog zo zitten tegenover een docent die me uitlegde waarom ze dacht dat ik af en toe vastliep: ik was te perfectionistisch. Dat vond ik een ongelooflijke onzin-uitspraak, want mijn default setting was om mijn werk zo snel mogelijk af te krijgen, waarna ik er nog dagenlang onzeker naar bleef kijken. Ik was juist hartstikke onzeker. Een perfectionist zou het meteen goed doen, toch? 

Toch had die docent gelijk. Ik was heus goed in wat ik deed, ik had dat alleen zelf nog niet helemaal door. Het resultaat: veel twijfels, onzekerheid, en werk dat ik zó vaak aanpaste dat het er niet altijd beter op werd. Ik kwam daar trouwens pas tijdens mijn volwassen leven achter. 

Steeds vaker bekroop me een gevoel dat ik helemaal niet weggelegd was voor het werk dat ik deed. Dat ik maar gewoon wat deed, er stiekem helemaal niet goed in was, en dat de hele wereld daar vroeg of laat achter zou komen. Om dat gevoel weg te drukken werkte ik zo hard en zo lang mogelijk. Jep, ik had ongelooflijk last van imposter syndrome, mede mogelijk gemaakt door een vleug perfectionisme. 

Wat ik ook ontdekte toen ik me inlas over dit onderwerp: perfectionisme wordt vaak gezien als één eigenschap, maar psychologen maken onderscheid tussen verschillende varianten. In dit onderzoek stonden drie vormen centraal:

  • Rigide perfectionisme: de overtuiging dat je altijd foutloos moet presteren, zonder ruimte voor nuance of leren.
  • Zelfkritisch perfectionisme: de neiging om jezelf hard te beoordelen en fouten zwaar aan te rekenen.
  • Narcistisch perfectionisme: een overtuiging van eigen superioriteit, gecombineerd met de verwachting dat anderen dat ook erkennen.

Juist die eerste twee blijken nauw verbonden met imposter syndrome.

Onderzoek naar twijfel en een onzeker gevoel

In een poging om álles over mezelf te weten te komen (verder ben ik totaal niet perfectionistisch hoor), dook ik in een onderzoek over dit fenomeen. De onderzoekers analyseerden gegevens van studenten van een Amerikaanse universiteit. Zij vulden vragenlijsten in over hun gevoelens van zelftwijfel en hun vorm van perfectionisme. Daaruit kwam een duidelijk patroon naar voren.

Mensen die sterk worstelden met impostergevoelens, scoorden ook hoog op rigide en zelfkritische perfectionisme. Ze hadden de neiging hun successen te relativeren, toe te schrijven aan geluk of externe omstandigheden en vooral te focussen op wat beter had gekund.

Bij narcistisch perfectionisme werd geen verband gevonden met imposter syndrome. Wie zichzelf als bovengemiddeld ziet en daar ook weinig twijfel over voelt, lijkt minder vatbaar voor het gevoel een ‘bedrieger’ te zijn. Sterker nog, deze groep minimaliseert successen juist minder snel.

Waarom vooral zelfkritiek zo’n grote rol speelt

Een belangrijk onderdeel van imposter syndrome is het gevoel dat je niet bent wie anderen denken dat je bent. Dat ‘ik doe alsof’-gevoel blijkt vooral samen te hangen met zelfkritiek. Wie constant zijn eigen prestaties onder de loep neemt en fouten uitvergroot, leeft sneller met de angst om ontmaskerd te worden.

Ook het idee dat succes vooral geluk is, kwam vaker voor bij mensen die streng zijn voor zichzelf. Zij nemen prestaties minder makkelijk in zich op als iets wat ze daadwerkelijk verdiend hebben.

Niet alle hoge eisen zijn problematisch

Wat dit onderzoek duidelijk maakt, is dat hoge standaarden op zichzelf niet het probleem zijn. Het verschil zit in hoe je met die standaarden omgaat. Als perfectionisme gepaard gaat met mildheid, flexibiliteit en realisme, hoeft het niet te leiden tot allesverlammende twijfel.

Maar zodra perfectie een harde eis wordt en fouten voelen als persoonlijk falen, kan een vicieuze cirkel ontstaan van onzekerheid, uitstelgedrag en angst.

Wat betekent dit voor bewust leven?

Wat mij betreft leidt dit fenomeen dan ook tot een bredere vraag: hoe gaan we met onszelf om in een prestatiegerichte wereld? Impostergevoelens voelen soms als een soort teken van zwakte, maar zijn dus eigenlijk vaak een bijproduct van betrokkenheid, verantwoordelijkheid en de wens om het goed te doen. En dat zijn hele mooie eigenschappen.

Inzicht in je eigen vorm van perfectionisme kan helpen om die innerlijke druk te verzachten. Minder streng zijn voor jezelf, niet onzeker worden van fouten, maar ze juist zien als onderdeel van groei, en successen echt laten landen, kan ruimte geven.

En dan is dan ook precies de opdracht die ik mezelf de komende tijd geef: vier successen, geef gevoelens van onzekerheid een minder groot podium en laat fouten zijn wat ze zijn, gewoon menselijke fouten. Doe je met je mee?

Lees ook het verhaal van Lisanne: ‘Door perfectionisme werd ik alles behalve de beste versie van mezelf’

Foutje gezien? Mail ons. Wij zijn je dankbaar.

Rock jouw inbox! ?

Elke zondagochtend met liefde gemaakt zodat jij heerlijk wakker wordt?‍♀️