Wie bepaalt wat schoonheid is?

Tom Hofland 26 jan 2017 Featured

Maandag. De kraaien trippelden met hun pootjes op het dak en Maud ontwaakte. De vogels waren haar natuurlijke wekker. Ze hoefde haar ogen niet te openen, de zon niet op haar gezicht te voelen, maar alleen maar het getik van kraaienpoten op te merken en ze ontwaakte vanzelf. Dit was zo geweest sinds ze, twee jaar geleden, in dit appartement kwam wonen. De eerste weken had ze haar wekker nog gezet, maar omdat de kraaien bij zonsopgang op haar dak neerstreken had ze dit vrij snel opgegeven.

Maud smeet de dekens van zich af en stapte uit bed. Alles wees er op dat het een dag zou worden zoals alle andere dagen: en het begon met de kraaien.

Pas toen zij haar kleren voor de dag had uitgezocht en voor de spiegel was gaan staan om zichzelf te bekijken snapte ze dat het alles behalve een normale dag was. Uit haar linker en rechterwang, vlak bij haar ogen, staken dikke zwarte veren. Twee stuks aan elke kant: niet mooi en glad maar ruw en gerafeld.

Ze bekeek ze van dichtbij, maar ze had het goed gezien, de schede van de veren stak in haar vlees. Daar waar de veren naar binnen gingen was de huid niet rood of geïrriteerd. Het kon niet anders dan dat ze vannacht gegroeid waren.

Maud deed een stap naar achteren en bleef in de spiegel kijken. Haar gezicht was geruïneerd. Ja. Geruïneerd. Dat was het perfecte woord.

Ze pakte een pincet van de tafel en trok voorzichtig aan een veer. De huid gaf mee, en het was te pijnlijk om de veer er uit te trekken.

‘Nu ben ik het lelijkste mens op aarde,’ dacht ze, en terwijl zij met haar vingertoppen over de veren gleed voelde ze dat ze misselijk werd. Daarna dacht ze aan wat haar vader altijd had gezegd als zij een lichamelijke kwaal had gehad: ‘Wacht twee weken, en als het dan niet over is, ga dan naar de dokter.’ Na die gedachte haalde ze haar schouders op, at een boterham, en ging naar haar werk.

Ze kon haar collega’s niet belasten met haar monsterlijke uiterlijk

Op de fiets bedacht ze zich wat haar collega’s wel niet moesten denken: ze zouden walgen, lachen, misschien zelfs overgeven of flauwvallen. Terwijl ze door de lange brede lanen fietste hield ze haar blik op de strepen op de weg. Ze voelde hoe anderen naar haar keken maar durfde niet terug te kijken.

Voor de straat waar haar kantoor gevestigd was, stopte ze. ‘Misschien,’ dacht ze, ‘is het toch niet goed om naar mijn werk te gaan.’

Ze hadden deze weken op de zaak met talloze deadlines te maken en ze was bang dat kotsende en flauwvallende mensen de werksfeer niet zouden bevorderen. Ze kon haar collega’s niet belasten met haar monsterlijke uiterlijk. Niet nu. Niet tijdens deze barre tijden. Sterker nog: ze kon eigenlijk geen enkel mens belasten met haar aangezicht. Niemand verdiende het om zoiets walgelijks onder ogen te komen, en al helemaal niet op een maandag.

Ze keerde om en fietste naar het park, de dichtstbijzijnde plek waar ze verwachtte weinig mensen tegen te komen rond dit tijdstip.

Terwijl zij door het park liep begon de zon flink te schijnen. De natuur liet zich van haar beste kant zien, en dit zorgde er even voor dat Maud haar misvormde gezicht vergat. Een jonge vrouw zat op een bankje naar de eenden in de vijver te kijken en keek op toen Maud langs liep. Ze glimlachte. Maud glimlachte in eerste instantie terug, maar realiseerde zich toen dat ze mismaakt was en wendde gauw haar gezicht af.

‘Mevrouw!’ riep de jonge vrouw toen Maud zijlings, haar gezicht naar de vijver, verder liep.
‘Mevrouw!’
Maud wilde het op een rennen zetten, maar de vrouw had haar ingehaald. Ze pakte haar bij haar arm en draaide Maud met een ruk om. Haar blik was gericht op haar veren.
‘Perfect.’ zei ze zacht.
‘Pardon?’ zei Maud.
‘Ha! Dit is perfect!’
De vrouw rende naar het bankje en kwam terug met een fototoestel. Voor Maud haar gezicht af had kunnen wenden was het kwaad al geschied: de vrouw had haar razendsnel gefotografeerd.
‘Je bent prachtig’ zei de vrouw, en streek met haar vinger over één van de veren.
‘Neem me niet in de maling!’ riep Maud, en zij rende zonder om te kijken het park uit. Al haar gevoel bestond louter uit schaamte.

Het was drie weken later dat zij het tijdschrift in handen kreeg. Daar prijkte zij op de voorkant: haar kraaienveren uitgelicht.

Tijdens de eerste photoshoots was zij nog met gebogen hoofd en met het schaamrood op de kaken de studio ingekomen, maar al gauw werd het voor haar tweede natuur.

Vergeet niet Bedrock’s Facebook-pagina te liken, zodat je nooit meer iets mist..

Niet veel later stond zij op de catwalk in Parijs, compleet met bont verendek en gouden wimpers. ‘Corneille!’ riepen de fotografen en reporters naar haar. Zij wist dat dit Frans was voor kraai, en zij lachte naar hen en zorgde dat zij haar veren, nog nat van de lak, in volle glorie te zien kregen.
Het voelde niet veel later, al was dit wel zo, dat zij op de première van haar eerste film verscheen. Ze werd licht in haar hoofd van de flitsende camera’s: Corneille! Corneille!’ riep de paparazzi in koor. ‘Corneille! Corneille!’ hoorde ze nagalmen in haar dromen, en zij ontwaakte elke morgen met een glimlach die pijn deed. Meisjes wilden haar zijn en lieten kraaienveren in hun wangen implanteren (of nieten, als zij het geld niet hadden).

Alle mannen wilden haar bezitten. En zij liet dit toe.

Op een avond kwam zij voor het eerst sinds lange tijd thuis in het kleine appartement waar zij nog altijd woonde. De kraaien waren van het dak verdwenen: een teken dat de dag ten einde was.

Zij gooide haar jurk in de hoek en bleef voor de spiegel staan. Daar, in het half schemer van de kamer, bekeek zij haar veren. Zij trok er voorzichtig aan: nog altijd zaten zij moervast in haar huid.

‘Het is waar’, zei ze tegen zichzelf. Hard en streng, als een schooljuf. ‘Ik ben het mooiste mens op aarde’. En terwijl zij met haar vingertoppen over haar veren gleed voelde ze dat ze misselijk werd, en wendde zij haar blik af.

Niets meer missen van Bedrock?

Like hier onze Facebook-pagina en blijf up to date. Of schrijf je in voor de Bedrock-nieuwsbrief.

Reageer op artikel:
Wie bepaalt wat schoonheid is?
Sluiten