Waarom ik niet goed in falen ben

Maar zijn er mensen wel goed in?

Ik ben niet goed in falen. Ik hou er gewoon helemaal niet van. Ik vind slagen en succes hebben een stuk leuker. Gek, hè?

Ik ken natuurlijk ook alle kekke quotes die je om de oren vliegen over falen, waarin falen wordt opgehemeld alsof het eigenlijk net zo leuk is als jetskiën, Rummikubben en vrijen met de vrouw van je dromen. Oh, wat is falen heerlijk! Maar laten we dat alsjeblieft niet meer doen. Afgesproken?

De afgelopen week heb ik om wat extra’s te verdienen even bijgeklust in een strandtent. Dozen sjouwen, voorraad bijvullen en schoonmaken. Dat werk. Handjes uit de mouwen.

Nu lees jij over de bovenstaande zinnen vrij makkelijk heen, maar dit is voor mij al een heel ding. Ik moest bijklussen in een strandtent. Holy moly. Om mijn rekeningen te betalen moest ik nodig wat werk gaan verzetten, buiten mijn klussen als columnist en cabaretier. Ik heb nogal hoge kosten, zullen we het daar even op houden?

Dus ik op maandagmorgen naar Zandvoort. De eerste drie dagen ging het best goed, ik was ook een beetje trots dat ik het gewoon deed. Natuurlijk: mijn robuuste edoch tere mannenlijf is niet zo gewend aan dit soort werk, dus ik voelde links en rechts mijn benen wat en ook mijn rug begon wat te zeuren. Maar ik liet mij niet kennen. Dit zou mij lukken. Period.

Ik merkte dat het best gezellig is ook, samen met een clubje zo’n klus doen en om kwart over zes opstaan, ach het was al licht, waar héb ik het over. En die rug kwam wel goed.

In de loop van de dagen merkte ik ook nog dat onder een baas werken niet helemaal mijn ding is, want na een kwartiertje sjouwen vind ik het hoog tijd voor koffie en een sprits, maar daar denken zij meestal anders over, maar nogmaals: soit. Niet zeuren. Hup, hup.

Waar ik heen wil: op de vierde dag ging het mis. Ik stond op, voelde spierpijn over mijn hele lijf. Soort van jammer.

Iemand zei laatst: ‘alles gaat weer voorbij’ en daar hield ik mij aan vast

Ik vermande mij. Dapper stapte ik onder de douche. Met een kromme rug stond ik mezelf in te zepen. En toch: ik zou en moest naar dat werk. Want ik moet dit kunnen. Net als andere mensen. Als andere mensen dit kunnen moet ik het ook kunnen. Een logica waar ik mee opgevoed ben.

Aangekomen bij de strandtent (voetje voor voetje liep ik over de Boulevard) ging ik met mijn kiezen op elkaar aan de slag.

Er was een lekker klusje om mee te beginnen. Er moesten 50 doosjes rode wijn een magazijn in, en ook nog heel veel witte wijn en nog een stapel kratjes fris, zo hoog als de Eiffeltoren. Iemand zei laatst: ‘alles gaat weer voorbij’ en daar hield ik mij aan vast.

Een andere gozer en een jonge meid hielpen ook mee met tillen. Die gozer sjouwde met gemak drie doosjes heen en weer en het meisje kon er ook zo twee aan. Ik ging met één doosje per keer op en neer en ik probeerde mij daar heel autonoom over te voelen. Ik probeerde met alles wat ik in mij had te voelen dat dat dus he-le-maal oké is.

Ik zei, zonder dat iemand er om vroeg: ‘Ja, iedereen doet het op z’n eigen manier!’ Heel verdrietig, dat ik dat zelf even ging zeggen. Nog verdrietiger dat niemand eigenlijk echt reageerde. Ik probeerde heel erg te denken, wat ik al eerder eens schreef: ‘Ik hou van jou, precies zoals je bent en ik steun je onvoorwaardelijk, in al je grootsheid, kracht en overvloed aan mogelijkheden.’

Het was half 10 in de ochtend en ik wist dat ik dit niet meer lang volhield. Ik hoorde in mijn hoofd al die stemmen van mijn omgeving: ‘Je bent toch een jonge vent?’ ‘Je hebt toch niets aan je pootjes’ ‘Je moet je eigen broek kunnen ophouden.’ Het gekrijs van de meeuwen boven mijn hoofd was er kinderspel bij. Of zaten die stemmen in mijn eigen hoofd? Is mijn omgeving niet zo veroordelend, maar gunnen ze me gewoon een beetje meer geld?
Schuldbewust keek ik naar de jonge eigenaar, een man van 30, toen ik steunend op een witte strandstoel ging zitten. Ik zei: het gaat niet meer.

Ik boog mijn hoofd, want ik wist dat hij nu zou gaan zeuren en als ik mijn hoofd zou buigen ging hij zich misschien een beetje inhouden. Ik dacht: nu denken die anderen dat ik een loser ben. Ik moest denken aan een uitspraak, waarschijnlijk een horecaklassieker die ik langs had horen komen: ‘Hard voor weinig en nooit chagrijnig.’

Een paar uur later zat ik thuis met een kussen in mijn rug op de bank. De eigenaar had relaxt gereageerd, ‘als het niet gaat, gaat het niet’. Ik voelde me de grootste mislukkeling van de wereld.

Een vriendin appte vanuit het niets: en hoe is het met de compassie vandaag? We hebben vaak gesprekken over het leven en hoe je het leeft en wat je allemaal zit te denken náást wat er werkelijk gebeurt.

Ik haalde diep adem. Oh, ja. Die compassie. Die was ik per ongeluk helemaal vergeten! Het was waar: Ik heb het geprobeerd, dit werk. Zoals sommigen écht niet op date durven, zoals anderen écht nooit alleen naar een feestje gaan en het dan tóch doen, was ik nu werk gaan doen wat écht niet bij mij past.

Mag ik daar trots op zijn, dat ik het heb gedaan of heb ik nu jammerlijk gefaald? En mag ik even flink balen of moet ik meteen iets positiefs halen uit deze situatie? Alsjeblieft? Mag het gewoon even zijn zoals het is?

Johan Stevens is cabaretier en valt, staat op, lacht en worstelt zich door het leven. Op zijn website deelt hij gratis het e-bundeltje Feel The Fear And Do It Anyway.

Meer lezen

Falen als doel: een leuke en effectieve methode om lef te ontwikkelen.