Waarom eet ik geen vlees, maar wel vis? Ik houd mezelf voor de gek

Waarom zou ik wel kibbeling en geen bitterbal eten?

Sinds een jaar of zeven ben ik overwegend vegetariër. Ik koop zelf geen vlees en kook ook voor anderen steevast vegetarisch. Niet omdat ik vlees niet lekker vind, maar omdat ik het kort gezegd niet eens ben met de manier waarop wij dieren behandelen. Soms wordt mij in het wild toch ineens vlees voorgeschoteld. Ik had daarvoor altijd een vuistregel: wordt het anders weggegooid? Niet klagen en opeten. Dan is het beestje ten minste niet voor niets gestorven.

Maar ja. Zo’n regel is natuurlijk voor meerdere interpretaties vatbaar. Daar maakte ik dan ook dankbaar gebruik van. Zodra er op een feestje een schaal met bittergarnituur langs kwam stond ik luttele seconden later schuldbewust de ragout uit mijn mondhoeken te vegen. Want wie zegt dat die bitterballen anders niet weggegooid zouden worden? Wanneer een kalf was gestorven om op een feestje in de mosterd gedoopt te worden kon ik hem maar beter die laatste eer bewijzen in plaats van hem in de groencontainer te laten verdwijnen.

Bovendien had ík geen geld betaald om die bitterballen te eten, dus had ik in die zin ook de vleesindustrie niet gesteund. Ha! Ik had de perfecte maas in mijn eigen wet gevonden: ik kon nu tegelijkertijd tegen de bio-industrie zijn en minifrikadelletjes vreten.

Nu begrijp ik ook wel dat dit als een tang op een varken slaat, maar zeg dat maar tegen me op zo’n feestje. Zodra de eerste biertjes er in zaten en de geur van bitterballen me tegemoet kwam leken al mijn idealen ineens niet meer zo heel belangrijk. Zo werd schouderophalend bittergarnituur eten zeg maar echt mijn ding.

Nu ben ik op het punt beland dat ik heb besloten de mazen in mijn wet te dichten. Als ik écht tegen de bio-industrie ben moet ik op de bitterballenbarricade gaan staan, het liefst wapperend met een PVDD vlag. Geen smoesjes meer. Voortaan is het kaassoufflés en loempia’s voor de heer Hofland.

Simpel zat, zou je zeggen: helemaal geen vlees meer. Punt. Maar nu ik opnieuw mijn idealen aan het bekijken ben en ze in regels probeer vorm te geven, moet ik recht in de ogen kijken van een van mijn grootste guilty pleasures: de vis.

Naast de incidentele bitterbal is de vis namelijk weer in mijn dieet geslopen. Och die lieve visjes. Ze smaken zo heerlijk, je kunt je er zo heerlijk slecht mee identificeren en ze zullen vast ook nog wel goed zijn voor van alles en nog wat in mijn lichaampje.

Wil ik ze nu wel of niet opeten?

Ik ken mensen die vinden dat vis téchnisch gezien geen vlees is en je ze daarom als vegetariër prima kunt eten. Daar trap ik niet in: al noem je het kroepiekroepie in plaats van vlees, het blijft een levend dier. Als je kippen niet wil eten omdat ze lijden in de industrie, waarom dan wel vis? Omdat een vis geen pijn zou lijden?

Wie lelijk is en lekker smaakt kan op weinig sympathie rekenen

Bioloog Gert Flik vertelt in een interview met NRC in 2014 dat vissen inderdaad pijn en stress ervaren. Hij slaat ook de spijker op de kop wanneer hij uitlegt waarom we vissenwelzijn niet zo serieus nemen als dat van varkens en koeien:

“De man op straat zal inderdaad zeggen dat vissen koudbloedig, slijmerig, nat en emotieloos zijn. Ik snap dat ergens wel. Een muis die pijn heeft, trekt nog een grimas. Maar een vis heeft geen mimiek, zijn ogen zitten vast aan de zijkant van zijn kop. Je zult dus naar zijn gedrag moeten kijken om het dier te leren waarderen.”

Vergeet niet Bedrock’s Facebook-pagina te liken, zodat je nooit meer iets mist.

Dit is precies de reden waarom ik er meer moeite mee heb om een konijn te eten dan een haring: de identificatie mist. Terwijl er, volgens Flik, in principe weinig verschil is:

“Hebben vissen pijn? Als ik jou tegen je schenen schop, gaat dat signaal via een reflexboog naar je ruggenmerg en trek jij je been terug. Dat hele basale circuit hebben vissen ook. Bij het haring kaken gaan de vissen soms spartelend de fileermachine in. Dat zou je echt niet moeten willen. Met een varken zou je dat ook niet doen. Beide zijn het gewervelde dieren, een essentieel verschil is er niet.”

Waar de hond en de kat in Nederland bijna gelijk zijn aan de mens, en de rest van de zoogdieren langzamerhand meer respect en bescherming krijgen, staan de vissen met hun slijmerige onmenselijke hoofdjes nog op de onderste trede. Wie lelijk is en lekker smaakt kan op weinig sympathie rekenen.

Geen bitterbal maar wel haring. Ik weet niet hoe lang ik mezelf nog wijs kan maken dat ik het onderscheid mag maken. Ik ga er eens flink over peinzen. Misschien onder het genot van een kaassoufflé. Maar ja. Hoe zit het eigenlijk met de diervriendelijkheid in de zuivelindustrie?

Niets meer missen van Bedrock?

Like hier onze Facebook-pagina en blijf up to date. Of schrijf je in voor de Bedrock-nieuwsbrief.