Toen volgde er een rechtszaak over mijn opname in de psychiatrische kliniek

Ik krijg een RM (rechterlijke machtiging)

Een psychiatrische kliniek had ik tot mijn opname alleen meegemaakt als bezoeker. Niet van binnenuit, als patiënt. Ik belandde in een mij totaal vreemde, onwerkelijke wereld. Een wereld van IBS-en, RM’s, gedwongen opnames, artsen, persoonlijk begeleiders, medepatiënten, medicatie. Een universum met eigen regels die ik nog niet kende, maar sneller dan me lief was zou leren kennen.

Op de tweede dag van mijn opname kreeg ik onverwacht bezoek. Een persoonlijk begeleider kwam me uit mijn bed halen. “Je advocaat is hier,” zei hij. “Advocaat? Hoezo advocaat? Ik heb geen advocaat,” antwoordde ik. “Jawel, die heb je wel,” zei hij, “Je bent gedwongen opgenomen. Dat gaat in Nederland niet zomaar. Er is gisteren een IBS of In Bewaring Stelling door de burgemeester afgegeven op verzoek van de artsen, en een onafhankelijke rechter gaat nu bepalen of dit terecht was en of er een RM of rechterlijke machtiging afgegeven wordt. Want alleen met een RM mogen we je hier houden. Je hebt een pro deo advocaat van de Staat om je bij te staan.”

Ik hees mezelf uit bed en strompelde met ongekamd haar en in mijn pyjama, die ik al twee dagen 24/7 droeg, achter hem aan naar de ruimte waarin degene die klaarblijkelijk ‘mijn’ advocaat was al op me wachtte. Ergens voelde ik iets van gêne om in zo’n toestand voor een onbekende te verschijnen, maar ik zat per slot van rekening in een psychiatrische kliniek, dus what the hell. Hij zou er vast niet van opkijken.

Ik schaamde me voor mezelf en voelde me heel klein

In de spreekkamer waar de dag daarvoor tijdens mijn opname de intake was geweest, zat nu een magere man. Hij was al wat ouder en niet heel knap, maar wel opvallend hip. Zijn trendy spijkerbroek, kekke strak gesneden jasje en kinky gekleurde leren schoenen stonden in schril contrast met het functionele interieur van de spreekkamer. Ik zag een chique glimmende vulpen, mooie leren agenda en een zwart Moleskin aantekenboek. Surrealistisch, zo’n stylish kerel in deze zo niet-stylish setting.

Ik ging zitten. Ik schaamde me voor mezelf en voelde me heel klein. De advocaat stelde me vragen over mijn opname. Of ik begreep waarom ik hier was en hoe ik er tegenover stond. Ik had moeite om woorden en zinnen te formuleren en kon niet veel meer uitbrengen dan: ik zit hier gedwongen en wil hier helemaal niet zijn. Maar ik denk niet dat ik hier weg kom: het is mijn woord tegen dat van de artsen. En ik ben nou niet bepaald in mijn goede doen.

Ik voelde me compleet overvallen door de situatie. Waarom was me niet van tevoren gezegd en uitgelegd dat er een rechtszaak zou volgen om te bepalen of de IBS terecht was? Dat er een advocaat zou komen om me bij te staan? En waarom werd ik pas uit bed gehaald op het moment dat mijn advocaat er, onaangekondigd, was? Hoe had ik, onvoorbereid, ook maar iets zinnigs kunnen voordragen ter mijn verdediging nu er blijkbaar een juridische procedure volgde? Afgezien van het feit dat ik daar een dag na stress van de gedwongen opname compleet niet toe in staat was.

De zitting

Twee dagen later was de zitting. Een rechter was vanuit Den Haag naar de kliniek gekomen, vergezeld door een griffier. Twee artsen waren present, en ik, met mijn pro deo advocaat. En mijn moeder, geloof ik, maar dat weet ik niet zeker meer. Eén van de artsen, die mij de tweede dag in de kliniek voor het eerst een halfuur gesproken had, nam het woord en legde de rechter uit dat ik echt heel ernstig ziek was. Dat het zaak was dat ik hier bleef en behandeling kreeg.

Ik vond het surrealistisch en ook heel, heel beangstigend, om een arts die mij totaal niet kende en op basis van een persoonlijk gesprek van een half uur en het lezen van mijn dossier, zo stellig dingen over mij en mijn ziektebeeld te horen beweren, met voor mij verstrekkende gevolgen. Dat was tenminste mijn beleving. Het wekte mijn woede. Wat een bitch! De rechter was een vriendelijk uitziende man met een bril. Hij luisterde geduldig. Ook naar wat mijn advocaat te zeggen had (niet heel veel).

Toen vroeg hij mij wat ik er zelf eigenlijk van vond. Ik herhaalde dat ik best begreep dat ik ziek was, maar dat ik absoluut niet in deze kliniek wilde zijn en me afvroeg of ik hier onder dwang echt beter zou worden. Als ik überhaupt beter zou worden, want ik zag voor mezelf totaal geen toekomst meer. Na kort beraad kwam zijn besluit: ik kreeg een RM, die afgegeven werd voor de duur van 6 weken. Dat betekende dat ik dus in elk geval anderhalve maand in de kliniek zou moeten blijven. Daarna zou er verder gekeken worden.

Ik huilde. De rechter sprak me vaderlijk toe: ‘Je bent nog jong, pas 38. Ik heb er meer gezien zoals jij. Je wordt beter, geloof me. En dan heb je nog een heel leven voor je, met je zoon. Je hebt een zoon toch? Doe je best en zorg dat je beter wordt. Het komt allemaal goed.’ Ik zag dat hij het oprecht meende.

Maar zo voelde het niet, dat alles goed zou komen. Voor mij was die RM een veroordeling. Een vonnis tot eenzame opsluiting op een gesloten afdeling. De artsen en rechter hadden me hiermee mijn vrijheid en zelfbeschikkingsrecht afgenomen. Het voelde alsof ik keihard gestraft werd voor het feit dat ik ziek was.

Meer lezen

Hoe mijn depressie leidde tot zelfverwaarlozing.