Niets is zeker: en dat is geweldig

Tom Hofland 22 jan 2018 Mind

Het was in de vroege morgen dat ik opstond en merkte dat er geen zekerheid meer was. Ik had het niet gelijk door: pas toen ik in sloffen en kamerjas langzaam de trap was afgedaald, de hond zijn brokken had gegeven, koffie had gezet en met een bakje kwark aan tafel was geschoven kwam het besef. De gedachte drong zich aan mij op als een slangenbeet, heet en scherp: ‘verdomd, er is geen zekerheid meer,’ was die gedachte.

Tot ik die morgen aan mijn ontbijttafel was gaan zitten was er altijd zekerheid geweest, dacht ik. Maar hoe langer ik daar over nadacht hoe meer ik moest erkennen dat ik ook dat niet meer met zekerheid durfde te zeggen.

Ik keek naar de tafel en het bakje kwark. Ik pakte mijn lepel op en roerde. Stukjes cruesli gingen ten onder als drenkelingen in een kolkende zee.

Zou het me smaken? Ik durfde het niet met zekerheid te zeggen. Natuurlijk, in het verleden had ik altijd genoten van mijn bakje kwark, maar wie wist zeker dat dat ook nu nog het geval zou zijn?

Op een morgen had ik de bak met kwark laten vallen toen ik deze uit de koelkast wilde halen en was deze als een koeienvlaai uit elkaar gespat. De hond had er van genoten, maar ik niet meer.

Die morgen had ik dus noodgedwongen een boterham gegeten, wat ik normaal slechts tijdens de lunch deed. De rest van de dag voelde ik mij totaal uit mijn hum. Je zou kunnen zeggen dat ik buitengewoon veel waarde hecht aan mijn kwark. Altijd al gedaan. Maar wat als ik er plots niet meer van kon genieten?

Voorzichtig tilde ik de lepel op en bracht hem naar mijn mond. Angstig nam ik een hap. Godzijdank: ik vond het nog lekker.

Direct na mijn opluchting maakte paniek zich echter alweer van mij meester: hoe wist ik zeker dat de kwark mij morgen nog zou smaken?

‘Aan iets anders denken!’ zei ik tegen mijzelf, en ik gehoorzaamde.

Ik was al jaren met veel plezier werkzaam als badmeester in het gemeentelijke zwembad. De gedachte aan de chloorlucht deed me glimlachen, maar die glimlach verdween als een spook in het ochtendgloren toen ik mij ineens afvroeg of ik wel zeker wist dat ik met plezier badmeester was.

Het zweet brak me uit. Ik dacht dat ik jaren lang plezier uit mijn werk haalde, maar was dat ook echt zo? Nu ik er zo eens bij stilstond waren er ook wel wat mindere dingen op de zaak. Zo was de kwaliteit van de koffie erbarmelijk en had ik een collega die ontzettend uit zijn mond stonk. Soms kwam het zelfs wel eens voor dat ik om drie uur, als ik nog twee uur op de klok had, liever wel naar huis wilde gaan. Wat betekende dit?

Ik keek uit het raam en zag mijn buurvrouw met haar hond, Chico, naar buiten lopen.

Ik had al maanden lang een heimelijk verlangen om met mijn buurvrouw te zijn. Niet op de koffie, maar tussen de lakens, op de meubelboulevard en op een camping in Spanje. Ik voelde mijn hart tekeer gaan terwijl ik naar haar rode wangen keek. Maar die opwinding sloeg als bij donderslag om in angst: wist ik wel zeker dat ik zo naar haar verlangde?

Op de hoogte blijven van Bedrock-nieuws? Schrijf je in voor onze Bedrock-sparks!

Ik opende mijn keukenraam en riep naar haar.
‘Dag, buurvrouw!’
‘Dag, buurman!’
‘U gaat lekker een rondje maken, met Chico?’
‘Zeker! Daar geniet ik altijd van.’
Het zweet gutste van mijn voorhoofd.
‘Weet u dat wel zeker?’ riep ik.
‘Pardon, buurman?’
‘Weet u wel zeker dat u daar altijd van geniet?’
‘Wat zegt u? Ik moet nu gaan, buurman. Zien wij elkaar gauw?’
‘Graag.’ zei ik. ‘Zal ik morgen bij u op de koffie komen?’
‘Dat lijkt me enig’ zei ze.
‘Weet u dat zeker?’ mompelde ik zacht, maar ik sloot gauw mijn raam en zwaaide haar de laan uit.

Op mijn werk deed ik mijn vaste ronde langs het zwembad. Ik had mij voorgenomen niet meer aan de onzekerheid te denken en pinde mijn gedachten er op vast.

Een kleine jongen met een stevige buik, Roelie, klom op de springplank en keek mij aan.
‘Kijk eens, meester. Ik kan in het diepe!’
Ik bekeek hem eens goed.
‘Ben je daar zeker van?’ vroeg ik hem.
‘Ja.’ zei Roelie.
Ik schudde mijn hoofd.
‘Vorige week ging het goed. Maar wie zegt dat je nu niet plots kramp zal krijgen en zal verdrinken? Dat ik straks gedwongen ben om je achterna te springen en je levenloze koude lichaam op te duiken?’
Roelie haalde zijn schouders op, nam een aanloopje en sprong het diepe in. Ik hield mijn adem in. Het duurde even, maar hij kwam glimlachend boven.

Ik schaamde mij voor mijn hond die in de hoek van de keuken lag, maar ik begon te huilen. Zoute tranen liepen over mijn wangen en in mijn kwark.

Toen de werkdag er op zat en ik op mijn fiets wilde klimmen was daar plots weer die gedachte, als een slangenbeet, scherp en helder: hoe zeker wist ik eigenlijk dat ik nog altijd kon fietsen? Ik voelde een steek in mijn hart. Roerloos stond ik naast mijn fiets. Roelie en zijn moeder kwamen voorbij.
‘Wat is er, meester?’ vroeg Roelie.
‘Ik weet niet meer zeker of ik kan fietsen, Roelie.’
De moeder van Roelie trok haar wenkbrauwen op, maar Roelie kwam naar mij toe en pakte mijn hand.
‘Je moet het niet weten, je moet er vanuit gaan.’ zei hij.
Ik knikte. Roelie en zijn moeder liepen naar de auto. Ik fietste, wankelend, naar huis.

Thuis was ik zo uitgeput dat ik zonder te eten in mijn bed kroop. De volgende morgen werd ik leeg wakker: zonder angst, zonder een voorgevoel. De dag lag als een vredig landschap voor mij. Pas toen ik mijn sloffen en kamerjas aan had gedaan, ik de hond brokken had gegeven, koffie had gezet en met mijn bakje kwark aan tafel was geschoven vulden mijn aderen zich plotseling weer met die giftige angst. Mijn jonge handen begonnen oncontroleerbaar te trillen.

’Je moet het niet weten, je moet er vanuit gaan.’ hoorde ik Roelie zeggen.
Snel stak ik een lepel kwark in mijn mond. Ik kauwde en kauwde.
Vond ik het lekker? Hoe vaker ik de kwark door mijn mond liet gaan hoe verder ik bij het antwoord vandaan kwam.

Ik schaamde mij voor mijn hond die in de hoek van de keuken lag, maar ik begon te huilen. Zoute tranen liepen over mijn wangen en in mijn kwark.

Vergeet niet Bedrock’s Facebook-pagina te liken, zodat je nooit meer iets mist.

Op dat moment werd er op mijn deur geklopt. Snel veegde ik mijn tranen af aan het tafellaken en opende de deur. Daar stond mijn buurvrouw. Ze keek glimlachend naar mij op.

‘Och, is het te vroeg? Ik dacht dat u nu misschien wel zin had in een kopje koffie.’
‘O, maar zeker!’ riep ik vlug. ‘Geef mij een moment, dan kleed ik me om.’
‘Vanzelfsprekend!’ zei ze, en ze verdween tussen de heg naar haar eigen huis.

Ik stond voor haar deur en klopte met een zwetende vuist op het raampje. Toen zij open deed en ik in haar ogen keek kon ik niet anders dan als een idioot glimlachen. Even vroeg ik mij af of mijn onzekerheid weg was, maar dat wist ik niet zeker, en de angst hield mijn hart vast in een ijzige greep.
‘Kom binnen buurman, de koffie staat klaar!’

Ik deed mijn jas uit en volgde haar naar binnen. Haar huis kwam als prachtig op mij over, maar ik wist dat ik dat niet zeker kon weten. Met knikkende knieën ging ik in een stoel in de woonkamer zitten, die duidelijk voor mij bedoeld was, omdat er een kopje koffie stond te dampen op het tafeltje er tegenover.

De buurvrouw bleef staan en bekeek mij.

‘Is er iets, buurman? U ziet zo bleek.’
Ik schaamde mij voor mijn staat van zijn, maar iets (waren het haar ogen?) gaf mij het gevoel dat ik bij haar als een open boek kon zijn.
‘Ach buurvrouw. Het zit zo: ik weet niets meer zeker.’
‘Ach. Jeetje. Helemaal niets meer?’
‘Nee. Helemaal niets.’
‘In dat geval weet u wel iets zeker.’
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Waar doelt u op?’
‘U weet zeker dat u niets zeker kunt weten.’
‘Verdomd, u heeft gelijk.’
Ik krabde achter mijn oor.
‘Maar toch stelt dat mij niet gerust.’ zei ik.

De buurvrouw ging tegenover mij zitten.
‘Waarom heeft u het gevoel dat u alles zeker wilt weten?’
‘Ik denk, omdat het mij zekerheid geeft.’
Ze nipte van haar koffie.
‘Maar buurman, is de verrassing soms niet velen malen leuker, interessanter, dan de zekerheid?’ vroeg ze.

Ik keek haar vragend aan.
Ze bracht een koekje naar haar lippen maar stopte halverwege.
‘Als ik u nu, onverwachts zou vragen of u bij mij zou willen eten, en zelfs zou willen slapen vannacht, zou u daar niet blij van worden?’
Ik werd rood, wist niet waar ik kijken moest en knikte langzaam.
Ze legde haar hand op mijn knie.
‘Zo ziet u maar dat elke onzekere situatie ook een positieve uitkomst kan hebben. Niet alleen de negatieve, die u zo veel angst aanjaagt.’

Ik vloog overeind.
‘Juist!’ riep ik.‘Want als ik op mijn fiets zou stappen, zou het kunnen dat ik het niet meer kan, maar het zou ook kunnen dat ik ineens nóg beter kan fietsen dan ooit tevoren!’
‘U heeft het door, buurman.’
Ik sprong op mijn buurvrouw af en kuste haar op haar lippen.
‘Meent u het dat wij vanavond samen zullen eten, en ik bij u zal blijven slapen?’ vroeg ik.
Ze schudde lachend haar hoofd. ‘Het was een voorbeeld, buurman. Vanavond slaapt u thuis. Maar in de toekomst? Wie weet. Ik laat u nog even in zalige onzekerheid.’

Niets meer missen van Bedrock?

Like hier onze Facebook-pagina en blijf up to date. Of schrijf je in voor de Bedrock-nieuwsbrief.

Reageer op artikel:
Niets is zeker: en dat is geweldig
Sluiten