Waarom komen sommige mensen naast je zitten als er heel veel plek is (en negeren ze je vervolgens)

Tom Hofland 11 mei 2017 Mind

De zon is na dagen van treurige afwezigheid weer eens gaan schijnen, dus ik schrijf dit buiten op een steiger aan het water. Op dit moment gebeurt er iets heel merkwaardigs, en ik zal proberen hier zo goed als het gaat verslag van te doen.

Ter illustratie: de steiger waar ik op zit is zeker twintig meter lang. Dat is langer dan een volwassen potvis en langer dan een flatgebouw van vijf etages op zijn kant. Kortom: lang. Ik zit op het uiteinde. Op een drukke dag zouden hier zeker veertig mensen kunnen zitten, maar ik zit alleen. Tenminste, tot nu.

Er komt zojuist een vrouw aangelopen met een kant en klaar gesmeerd pistoletje onder haar arm. Ik baal hier in eerste instantie van, maar ik corrigeer mezelf direct: wie ben ik om twintig meter steiger, op een zonnige dag, voor mijzelf te willen houden.

Ik verwacht dat de vrouw op ruime afstand van me zal gaan zitten, omdat de beleefdheidsnorm dat van ons verlangt. Veel mensen durven in de trein niet eens naast een onbekende neer te ploffen, maar al snel blijkt dat deze vrouw zich niet onder de noemer ‘meeste mensen’ laat scharen. Ze staat nu op anderhalve meter afstand naast me en tuurt over het water.

Zeer merkwaardig, maar goed: misschien heeft ze ooit de as van haar overleden hond op deze plek uitgestrooid; misschien heeft ze vanaf hier precies uitzicht op het huis van haar ex, ik weet het niet. Ze zal er wel een reden voor hebben. Maar als wij, de enige twee mensen in dit gedeelte van het park, nu toch zo dichtbij elkaar zijn kunnen we elkaar op zijn minst even erkennen. Een knikje uitwisselen, misschien een binnensmonds ‘hallo’, als we maar even laten weten dat we elkaar op deze plek gedogen.

Ik probeer haar blik te vangen maar ze kijkt me niet aan. Het lijkt zelfs alsof ze bewust langs mij heenkijkt. Ik ben de enige mens in de wijde omtrek en ze doet alsof ik niet besta. Dan, de ultieme ontkenning: ze gaat naast me zitten en draait haar rug naar mij toe. Ze maakt een selfie, en ik begin te twijfelen aan de aard van de realiteit: is zij een droombeeld? Ziet zij mij niet? Leven wij soms beiden in een andere dimensie en is er nu, door een scheur in tijd en ruimte, een raam ontstaan waardoor ik haar wel zie en zij mij niet?

En wat zou er gebeuren als ik mijn arm door dat raam zou steken en haar aan zou raken? Zouden onze werelden versmelten? Zou ze mij voelen, maar niet zien? Zou ze mij als geestverschijning waarnemen? Als een koude rilling, als kippenvel?

Zou ze vanavond tegen haar liefde zeggen, een dampende kop soep voor haar neus: ‘Ik denk dat ik vandaag een geest heb gevoeld.’ Zou hij lachen? Zou ze zich niet serieus genomen voelen? Zou hij het goed moeten maken?

Zou deze anders zo nuchtere vrouw vanaf dan haar leven wijden aan het contact leggen met gene zijde, in de hoop nog één keer mee te maken wat ze daar, toen, op die zonnige woensdagmiddag meemaakte?

Zou het haar lukken? Nogmaals een gat in tijd en ruimte te slaan en in onze dimensie te komen? Zou ze de Nobelprijs krijgen? Zou ze die Nobelprijs in twee dimensies in ontvangst mogen nemen?

Ik tik haar op haar schouder. Ze kijkt me verschrikt aan. “O pardon, ik dacht dat ik u kende,’ zeg ik.
Ze raapt haar onaangeraakte broodje op, komt overeind en loopt weg, terug naar haar eigen wereld.

Meer lezen

Erger je niet als iemand voor de trein is gesprongen.

Reageer op artikel:
Waarom komen sommige mensen naast je zitten als er heel veel plek is (en negeren ze je vervolgens)
Sluiten