Jij bepaalt hoe dit verhaal afloopt: ‘Ik was het wandelende stereotype van de omhooggevallen Amsterdamse student’

De lezer is de auteur van dit verhaal

Als journalisten schrijven we elke dag mooie verhalen. Maar wat nou als de lezer, in plaats van de schrijver, bepaalt hoe het verhaal verloopt? Vanaf vandaag delen we een fictief verhaal, en jij kunt ons laten weten hoe jíj vindt dat de hoofdrolspeler moet handelen. Stuur je het hoofdpersonage de afgrond in, of red je ‘m uit zijn miserabele leven? It’s up to you. Stuur jouw idee in een mailtje naar de redactie, en lees volgende week wat er gebeurt.

Toen de poorten van de stad zo’n vijftien jaar geleden opengingen en mij toegang verschaften tot het stenen paradijs, dacht ik te weten hoe ik het spelletje van het leven moest spelen. Kun je dat een jonge twintiger kwalijk nemen?

Ik had de wind vol in de zeilen. Met minimale inzet had ik mij met maximaal resultaat door alle zes de klassen van het Gymnasium heen gewerkt. Ik had er, zo dacht ik toen, legio vrienden aan overgehouden. Toen die vrienden een voor een wegvielen, bleek de zorg slechts van korte duur. De Universiteit van Amsterdam was een vrijwel onuitputtelijke bron van alles waar mijn leven destijds om draaide: feestjes, bier, mooie jonge vrouwen en incidenteel een verplicht college.

Alles wat jij je voorstelt bij het ideale, stereotype studentenleven was op mij van toepassing. Ik was die iets te zelfverzekerde, luidruchtige, met aangeleerde sjieke ‘r’ pratende geprivilegieerde student met nonchalant achterover gekamd haar dat glom van, en rook naar, goedkope gel. Tegenwoordig zie je hem op elke straathoek. Ik mag nog steeds graag denken dat dit toen niet het geval was. Dat ik uniek was. Dat ik niet gevormd was door het welvarende milieu waarin ik opgroeide of mijn sociale kring die louter bestond uit andere blanke jongens uit de hogere middenklasse.

Ik was het wandelende stereotype van de omhooggevallen Amsterdamse student. Natuurlijk had ik dat toen niet door. Schamen doe ik mij er nu allerminst voor. Het was gewoon wat het was. En wat het was, was een verdomd goede tijd. Een tijd waar ik, met de kennis die ik nu heb, veel bewuster bij stil had willen staan. Je beseft je pas wat je mist als je het niet meer hebt. Nog zo’n cliché, maar oh zo waar.

Als ik terugdenk aan die tijd, denk ik vooral aan de liters bier die wekelijks in mijn toen nog wonderbaarlijk slanke lichaam verdwenen, de gerookte joints op het Rembrandtplein terwijl ik in de collegebanken had moeten zitten, de heerlijk foute feesten en de ‘veroveringen’ die ik na die feesten meenam naar mijn studentenkamer in Oost voor een avond betekenisloze-en-daarna-nooit-meer-bellen-seks.

Je zou bijna vergeten dat ik, terwijl ik genoot van alle geneugten van het zorgeloze leven, ook grossierde in het behalen van hoge cijfers. Dat klinkt misschien als opscheppen, maar het is de waarheid. Studeren ging mij ontzettend eenvoudig af. Het enige wat ik nodig had, was tien nuchtere uurtjes per week. Dat was zelfs voor mij te doen. Ik doorliep mijn Bachelor en Master met verve en mag mij sinds iets meer dan tien jaar ‘Master of Science’ noemen. Wat dat ook moge betekenen.

Mijn ouders waren niet rijk, maar wel bijzonder vrijgevig. We hadden het niet slecht thuis. Mijn verhuizing van het oersaaie Purmerend naar Amsterdam betekende dat ik afscheid nam van mijn royale slaapkamer in een evenzo royale twee-onder-een-kap-woning, minimaal twee vakanties per jaar (ik schaam mij er niet voor om te zeggen dat ik tot mijn negentiende gewoon nog met mijn ouders op vakantie ging, zou jij nee zeggen tegen Bali, Curacao en Lech?) en een leasewagen van mijn pa (steevast van Duitse makelij) die mij altijd ter beschikking stond.

Hoewel, afscheid… zo ervoer ik het destijds niet. Als ietwat self entitled exponent van mijn generatie ging ik ervan uit dat dergelijke luxe ook voor mij was weggelegd. En waarom ook niet? De piepkleine en slecht onderhouden studentenkamer die ik mijn nieuwe onderkomen mocht noemen, was slechts tijdelijk. Na het behalen van mijn Master zouden alle deuren voor mij opengaan. En mooi niet dat ik terug zou keren naar Purmerend of een soortgelijke stad die vooral uitblinkt in middelmaat. De keurige voortuintjes, de daken met zonnepanelen, de stationwagons in de veiligste kleur grijs die je kunt bedenken: daarvoor werkte je toch niet?

Ik houd zielsveel van mijn ouders, maar heb nooit begrepen waarom zij genoegen hebben genomen met zoveel…. gewoons. Fietsend door Amsterdam keek ik naar de prachtige grachtenpanden, naar de stijlvol geklede succesvolle jonge mannen met strak afgetrainde blonde vrouwen aan hun armen. Dat was het leven dat ik wilde. Dat was het leven dat ik zou leven als ik eenmaal klaar was met mijn studie, een toffe job had gevonden in de reclamewereld en met mijn salaris van minimaal 4500 euro een fijn appartement zou huren.

Een droom? Nee, slechts een kwestie van tijd dacht ik toen. En dat zou nog maar het begin zijn. Natuurlijk zou ik de carrièreladder in rap tempo beklimmen, na een paar jaar een fraai huis binnen de ring kopen en uiteindelijk settelen met zo’n knappe blondine die bij een PR-bureau werkte, of bij een advocatenkantoor ofzo. Het was geen kwestie van ‘of’, maar van ‘wanneer’. Heel mijn leven was mij verteld dat als je slim was en hard werkte de mogelijkheden eindeloos waren. Niemand die ooit ook maar had gedacht dat er een economische crisis zou uitbreken, de huizenbubbel zou opzwellen naar belachelijke proporties en dat er net als ik nog duizenden arrogantjes in de stad rondliepen met dezelfde droom.

Telt Amsterdam Noord als binnen de ring? Voor mij wel. Een Amsterdamse makelaar zou zeggen dat mijn appartement ‘riant’ is. Mijn vrienden in de polder vragen zich vooral af wat mij bezielt om 1600 euro in de maand neer te tellen voor een appartement dat eenvoudig drie keer in hun huis van nog geen twee en een halve ton past. Zij begrijpen het niet. Op elk feestje komt het onderwerp weer ter sprake. Ik ben die gek die geen afscheid wil nemen van zijn studentenleventje. Die per se in Amsterdam wil wonen omdat hij dan hip is, weet waar je de sjiekste cocktails kunt drinken, waar je de mooiste vrijgezelle vrouwen kunt vinden op een zaterdagavond en waar je de volgende ochtend terecht kunt voor een uitbrakontbijt met hipsterkoffie en gratis wifi. Daarna slingeren ze termen als ‘barbier’, ‘Instagram’ en ‘fixie’ naar mijn hoofd.

Als je vijfendertig en single bent, verdien je kennelijk medelijden

Ze doen maar. Met z’n allen durven zij wel. Vooral op die kinderverjaardagen moet ik het ontgelden. Voor hen zijn kinderverjaardagen een soort statussymbool: ‘kijk eens hoe goed Julia en ik het voor elkaar hebben.’ En kleine Maan, Wolk, Sem of Jayden (die toch echt roomwit is) maar overladen met cadeaus. Ik zie vooral een verzameling van mensen die allemaal hetzelfde doen en niet willen toegeven dat ze te vroeg gepiekt hebben en zijn blijven plakken aan de eerste partner die hen serieuze aandacht gaf. Maar hey, wie ben ik om over hen te oordelen?

Op verjaardagen, feesten, partijen en borrels ben ik nog steeds de vrije jongen. Mensen kijken naar mij met een mix van medelijden en jaloezie. Als je vijfendertig en single bent, verdien je kennelijk medelijden. Ik weiger die rol te spelen. Eenieder die aankomt met ‘Ach, jouw tijd komt nog wel’ of woorden van soortgelijke strekking, sla ik keihard met de positieve keerzijde van de medaille om de oren. Ik kan doen wat ik wil, wanneer ik wil. Ik vis in een onuitputtelijke vijver van vrouwelijk schoon en de vissen bijten regelmatig. Als ik een pizza wil bestellen doe ik dat. Als ik naar Londen wil, zit ik morgen in het vliegtuig. Als ik drie uur lang non stop wil gamen op mijn PlayStation dan is er niemand die aan mijn kop zeurt dat ik de was moet vouwen.

En hoppa: weer zo’n vinex-zeikerd het zwijgen opgelegd. Ik kon daar lang van genieten, maar tussen jou en mij: al een paar maanden verlaat ik het feestje met een grijns en joviaal gebaar om thuis te komen in een koud en leeg appartement. Oh zeker: er ligt wel eens een mooie vrouw in mijn bed, maar die is de ochtend erop verdwenen en komt ook zeker nooit meer terug.

Lange tijd heb ik mijzelf wijsgemaakt dat ik niet jaloers ben op mijn vrienden die thuiskomen met een knuffel van hun vrouw en kinderen, maar feit is wel dat ik inderdaad vijfendertig ben en inmiddels ben verworden tot de vreemde eend in de bijt. Het aantal vrijgezelle vrienden dat ik heb, is op een paar handen te tellen. Om de mensen met gezinnetjes te tellen, heb je meer dan dat paar handen nodig.

Denk niet dat ik aan de buitenwereld toegeef dat mijn leuke leventje misschien niet meer zo leuk is als vroeger, maar ik durf jou wel in vertrouwen te nemen en dit toe te geven. Kennelijk bestaat er ook voor mannen iets als een biologische klok. Sinds een paar maanden voelt mijn leven leeg. Ik heb die baan bij dat hippe reclamebureau, al een aantal jaar, maar die 4500 euro is nog steeds een worst die mij wordt voorgehouden, maar waar ik nog net niet in kan happen.

Mijn geduld raakt op. De laatste tijd vraag ik mij af: voor wie doe ik dit nog? Er is mij heel wat beloofd, maar de mensen boven mij gaan nergens heen en eerlijk is eerlijk: ik kan de strijd niet met hen aangaan. Elke meeting weer voel ik mij een junior die op zijn woorden moet letten. Zij weten zo veel, hoe kom ik ooit op een van hun stoelen terecht?

Lange tijd dacht ik dat werkdagen van 8:00 tot 20:00 het antwoord waren, dat ik vanzelf wel beloond zou worden als ik keihard zou werken. Twee jaar non stop buffelen heeft mij echter nog niets gebracht, tenzij je het kweken van een welvaartsbuikje als prestatie wilt tellen.

Pim Chu

Het zet je aan het denken. Over alles eigenlijk. Ik heb het uiteraard nooit met zoveel woorden tegen hen gezegd, maar ik had op mijn beurt altijd een beetje medelijden met mijn vrienden die op hun vijfentwintigste gingen samenwonen en inmiddels schoolgaande kinderen hebben. Lange tijd dacht ik dat ik er een leven vol spanning en seks tegenover kon zetten. Dat was misschien wel zo, maar ik schrok van mijzelf toen ik vorige week naast de zoveelste losse flodder wakker werd en haar naam niet eens meer wist. Ze zag eruit als een Tess. Ik dacht ook dat zij zich de vorige avond als Tess had voorgesteld, maar misschien kwam het meer omdat ik in het gedimde licht van de Jimmy Woo had gemeend dat ze op Tess Milne leek. Niet alleen haar naam, maar ook haar gelijkenis met Tess Milne was de volgende ochtend compleet verdwenen.

Terwijl ik in mijn onderbroek naar de keuken liep om een kop koffie te zetten en mijn reflectie in het raam zag, realiseerde ik mij dat ik er ongetwijfeld ook niet meer uitzag als welke fantasie het dan ook was geweest waar zij gisteravond mee naar huis was gegaan. Op wonderlijke wijze wist ik haar nog een ontbijtje en koffie te serveren zonder haar naam nodig te hebben. Toen ze zich weer had aangekleed, kreeg ik een plichtmatige kus op mijn wang. Ik liep naar het raam een keek hoe Marije op haar fiets stapte. Ik wist dat ze Marije heette omdat ik haar met een vriendin hoorde bellen in het trappenhuis terwijl ze naar beneden liep. Whatever. Ze was uiteindelijk toch geen Tess gebleken.

Enfin: ik vond het moeilijk om toe te geven, maar ik leef een leeg leven. Nog jaren op deze manier doorbuffelen, mij een slag in de rondte werken om een appartement te kunnen bekostigen dat ik stiekem eigenlijk helemaal niet meer wil, weer zwichten voor de verleidingen van het vlees in de zoveelste club: ik ben er al een tijd klaar mee.

Ik mag dan wel nog een stap verwijderd zijn van het inkomen dat de jonge ik had verwacht op dit punt in zijn leven te verdienen; ik heb wel behoorlijk gespaard. Ik heb ook aan wat mijn mede hippe stedelingen ‘soul searching’ noemen gedaan, maar zonder resultaat. Het stenen paradijs van weleer voelt meer en meer als een betonnen jungle waarin ik als een schuchtere bedreigde diersoort voortploeter.

Het moet anders. Hoe? Dat weet ik niet. Het enige dat ik weet, is dat ik de brief die uit mijn printer rolt morgen overhandig aan mijn manager. Stijn zal ‘m niet zien aankomen, maar ik heb er lang over nagedacht. Dit is de juiste beslissing, nog een maand in dat kantoor en dan zien ze mij niet meer terug. Nog een paar weken nodeloos lange meetings, geforceerde brainstorms en overrated espresso en dan gooi ik het roer om. Wat dat precies inhoudt, weet ik nog niet, maar hoop ik de komende tijd ontdekken.

Jij bepaalt

Stuur je het hoofdpersonage de afgrond in, of red je ‘m uit zijn miserabele leven? It’s up to you. Stuur jouw idee in een mailtje naar de redactie, en lees volgende week wat er gebeurt.