In een psychiatrische kliniek belanden was mijn grootste angst

In een psychiatrische kliniek belanden betekende voor mij dat ik gek was

Na zes tergende weken van dagelijks dagschema’s invullen, verplicht wandelen en oeverloze positieve peptalk – die doorgaans mijn ene oor in en direct mijn andere oor weer uitging – van de dames van de ambulante psychiatrische thuiszorg, was er weinig veranderd. Ik zat nog altijd urenlang roerloos in de fauteuil in mijn moeders woonkamer uit het raam in het niets te staren, zonder tot wat dan ook te komen.

Het was weer tijd voor een gesprek bij de GGZ. Ik was inmiddels doorgeschoven naar wederom een andere behandelaar, een vrouw dit keer en het hoofd van de afdeling. Ze was streng en pittig en liet er geen gras over groeien. Ze zei me onomwonden dat zij, gezien de aard, ernst en duur van mijn klachten, adviseerde dat ik me zo snel mogelijk liet opnemen in de psychiatrische kliniek van de GGZ. Dat was gewoon hier in het gebouw. Als ik eenmaal intern zat, zou ik andere, zwaardere medicijnen kunnen krijgen en daarbij goed gemonitord kunnen worden.

Ik schudde wanhopig nee en keek mijn moeder die me naar het gesprek vergezelde in paniek aan. Het beangstigde me dat een wildvreemde arts die mij niet eens kende me bij notabene ons allereerste gesprek zei dat ik er verstandig aan zou doen me te laten opnemen.

"Als ik nou gewoon niet meer wilde leven, dan was dat toch zeker míjn zaak?!"

In een psychiatrische kliniek belanden – dat was mijn grootste angst. Mijn aller- allergrootste angst. Van tevoren had ik mijn moeder gezegd dat ik onder geen beding naar een kliniek wilde en ze had toegezegd me daarin zo lang mogelijk te steunen. “Als jij dat niet wilt, dan gebeurt dat niet. Echt niet. Daar zorg ik voor.”

Want in een psychiatrische kliniek belanden betekende voor mij:
Dat ik gek was.

Dat ik niet spoorde.

Dat er iets helemaal mis was met mij.
Dat ik afgevoerd en opgeborgen moest worden.
Dat ik afgegleden was tot aan het afvoerputje van de samenleving.

In zo’n psychiatrische inrichting zitten… gekken! En ik was niet gek! Nee, ik was niet gek. Ik was alleen maar dood- en doodongelukkig en daarom wilde ik het liefst niet meer leven – ik was allesbehalve gek. Als ik nou gewoon niet meer wilde leven, dan was dat toch zeker míjn zaak?! Dat kon toch? Ik was geen gevaar voor anderen en deed niemand kwaad… waarom lieten ze me allemaal niet gewoon lekker met rust?!

Naar een kliniek! Die arts had makkelijk praten. Zij hoefde er niet heen. En alsof ze zelf in zoiets zou gaan zitten. Fat chance dat ik daarheen zou gaan. En had je daar ook geen dwangbuizen en isoleercellen en dat soort dingen? Dan werd ik opgesloten en vast lastiggevallen en aangevallen door gevaarlijke patiënten. Of kwam er als ik daar ’s nachts lag te slapen ineens een enge gore verpleger zomaar in mijn kamer staan die me zou molesteren en dan gewoon zijn gang zou kunnen gaan, en niemand zou me geloven want ik was immers ‘gek’… Nee, een kliniek, dat nooit.

Mijn moeder hield woord. Ze hield tegenover de arts voet bij stuk dat er geen sprake van een opname kon zijn als ik dat pertinent niet wilde. Ze had me haar woord gegeven dat dit niet zou gebeuren en wilde zich daar aan houden.

Ik was er dichtbij, maar ik werd niet opgenomen die dag. Nog niet.