Ik ontmoette drie heiligen in een vliegtuig

Het had de meest vreselijke vlucht ooit kunnen worden

Een tijdje geleden had ik het over twee portretten die boven mijn bureau hangen. Op die portretten staan twee alledaagse, door de wereld gevormde helden waar ik mijzelf aan optrek als ik beter wil zijn dan ik ben: de roodharige puber in de trein, en Sjaak van ‘Ik vertrek’.

Ik heb inmiddels de schilderijen een stukje op moeten schuiven om ruimte te maken voor een derde portret, een portret met daarop welgeteld drie mensen: Mark, Josine en Olivier. Met zijn drieën vormen zij een gezin, waarvan Olivier het kind is van een jaar of anderhalf. Op de arm van zijn ge-olieverfde moeder kijkt hij nu op mij neer, zijn wijs- en middelvinger opgeheven; een aureool om zijn koddige hoofd.

Hoe verkregen deze mensen de status van heiligen? Wat moesten zij doen om in mijn leven het pantheon van persoonlijke helden te betreden?

Die eerste vlucht

Zes jaar geleden vloog ik voor het eerst: naar Barcelona, met drie vrienden. Daarbij is het goed om te weten dat ik een redelijk angstige vlieger ben. Niet zo erg dat ik medicatie moet slikken of door de stewards aan mijn stoel vastgebonden moet worden, maar als de optie bestond om onder narcose te vliegen zou ik het zeker overwegen.

Vooral die uren voor je daadwerkelijk het vliegtuig in mag maken me, zacht uitgedrukt, onrustig. In die uren die als dikke stroop voorbij vloeien heb ik veel te veel tijd om te visualiseren hoe ons vliegtuig straks als een vuurbal tegen de bergen te pletter zal slaan. Je moet als vliegveld parfumerie van hele goede huize komen wil je mij verleiden tot een aankoop: voor veel dingen wil ik lekker ruiken, maar zelfs de beste parfum is tegen de geur van brandend plastic en verschroeid vlees niet opgewassen.

Enfin, ik dwaal weer af in doemscenario’s, want het ging juist goed dit keer! Zenuwachtig stond ik met parfumflesjes te hannesen tot we eindelijk mochten boarden. Eenmaal daar kwamen we erachter dat mijn vrienden met zijn drieën bij elkaar achter in het vliegtuig zaten. Ik zat dus alleen, bij vreemden.

Alles in haar gezicht straalde veiligheid uit

Met een bleek gezicht en een droge mond kwam ik bij mijn stoel. ‘Ik zit bij het gangpad, meneer’ zei ik tegen de boomlange man die zittend op zijn stoel even lang was als ik. We keken elkaar op ooghoogte aan. ‘Sorry,’ zei hij ‘maar ik ben zo lang dat ik niet in het midden kan zitten.

Ik kroop over de man heen en wurmde mezelf op de middelste stoel. Naast me, aan de raamkant, zat een vrouw met een klein kind op schoot. Ze glimlachte. Ik deed hetzelfde. ‘Als hij maar niet de hele vlucht gaat zitten janken,’ dacht ik.

Ik wist uiteindelijk mijn koptelefoon tussen de benen van de lange man door uit mijn tas te vissen en besloot me van de totale situatie af te sluiten. Tot, na tien minuten, ik een hand op mijn schouder voelde. ‘Wat luister je?’ vroeg de vrouw. Ik hield mijn ogen gesloten; mijn bloed kookte. Ik zonk weg door de stoel en viel in een diep modderig gat vol zelfmedelijden. ‘Waar heb ik dit aan te danken?’ dacht ik.

Vergeet niet Bedrock’s Facebook-pagina te liken, zodat je nooit meer iets mist.

Toch opende ik, na een demonstratieve zucht, mijn ogen. Ik was klaar om één korte venijnige opmerking te maken waardoor ze meteen zou begrijpen dat ik niet op een praatje zat te wachten, maar ik kreeg het niet uit mijn strot. Ik keek haar aan, ogen wijd open, en keek recht in het gezicht van de heilige moeder. Alles in haar gezicht straalde veiligheid uit. Veiligheid waar ik nu zo enorm naar verlangde. Ik keek naar het kind op haar schoot en ik voelde mij dat kind, warm en geborgen op de schoot van zijn moeder.

Mijn woede loste op als een spook in het ochtendgloren. Ik kon niet anders dan mijn iPod lichtjes kantelen om haar te laten zien waar ik naar luisterde. ‘Bowie! leuk zeg. Mag ik eens?’ Ik haalde mijn koptelefoon van mijn hoofd en gaf deze aan haar. ‘Dankje’ zei ze. ‘Ik heet Josine, dat is mijn man Mark en dit,’ ze tilde het kind op ‘is Olivier.’ Hierna liet ze Oliviers beker vallen en om de beker te kunnen pakken zette ze Olivier zonder waarschuwing op mijn schoot. Ik voelde mij nu op hetzelfde ogenblik kind en vader tegelijk. Met grote bruine ogen keek Olivier mij aan. ‘Wat er ook gebeurt, Olivier,’ dacht ik ‘jij gaat niet in een brandende vuurbal tegen de bergen te pletter slaan.’ Zelden voelde ik mij zo dapper als met Olivier op mijn arm.

We waren het meest hechte gezin wat er bestond

Mark tikte me aan. ‘Wil je wat drinken?’ ‘Ehm..nemen jullie iets?’ zei ik. Hij klampte een steward aan. ‘Drie wijn alsjeblieft. En wat lekkere pinda’s.’ Vijf minuten later zaten we wijn te drinken en als blije kinderen uit het raampje te kijken naar de wolken onder ons. Olivier lachte op mijn schoot met ons mee. We waren het meest hechte gezin wat er bestond, en zelden voelde ik me zo veilig, ook al waren we kilometers boven de grond.

Het had de meest vreselijke vlucht ooit kunnen worden: doodsangsten uitstaan tussen vreemden met als soundtrack een huilend kind. Maar ik had het mis: dit waren niet zomaar vreemden. Dit waren Mark, Josine en Olivier. Drie mensen die zich niet zo zuur tegen vreemden opstelden als ikzelf deed, maar me juist verwelkomden alsof ik één van hen was. Niet uit overdreven beleefdheid, maar misschien omdat zij voelden dat ik het nodig had.

Misschien zijn zij niet altijd zo. Waarschijnlijk niet zelfs. Het is dan ook maar goed dat ik ze later nooit meer ben tegengekomen, want ik wil ze herinneren precies zoals ze daar waren. Zo hangen ze dus ook tegen mijn muur: de wijnglazen geheven en het zout van pinda’s om de mond; lachend. Tussen hen in een lege stoel. Die is gereserveerd voor mij, voor wanneer de veilig- en dapperheid even niet vanzelf voor handen is.

Niets meer missen van Bedrock?

Like hier onze Facebook-pagina en blijf up to date. Of schrijf je in voor de Bedrock-nieuwsbrief.