Hoe ik paaseieren verkoos boven het ‘man worden’

Dit jaar zou ik de overwinning behalen

Ik geef weinig om Pasen, maar dat is wel eens anders geweest. Volgens mij vonden mijn ouders het geen bijster interessante feestdagen, maar als kind kon ik er weken naar uitkijken. Ik was als kleine jongen een vurige aanbidder van de heilige drie-eenheid: matze crackers, miniatuur kuikentjes en chocolade eieren.

Er is me één paasweekend altijd bijgebleven. Ik moet een jaar of tien geweest zijn en ik woonde met mijn vader, moeder en zus op een boerderij.

Mijn ouders verstopten zoals elk jaar paaseieren voor ons in de tuin. Het vinden van een chocolade-ei in een holle boomstam was voor mij niet minder dan magisch, dus vanzelfsprekend had ik de avond ervoor onrustig geslapen. ’s Morgens na het jaarlijkse ‘eitje tik’ moment ramde ik de crackers met suiker naar binnen om zo snel mogelijk klaar te staan voor de chocolade kruistocht waar ik mij al dagen mentaal op had voorbereid.

Met de suiker nog om mijn mondhoeken stond ik op het grind. Mijn zus stond naast mij en we droegen kleine emmertjes. Elk jaar was ik vastbesloten de wedstrijd van haar te winnen, wat nooit lukte. Zij was sneller, langer en slimmer. Maar dit jaar zou alles anders zijn. Dit jaar zou ik de overwinning behalen. Dit jaar zou ik een man worden.

In mijn eigen emmertje rolde een eenzaam ei

Mijn moeder probeerde bloedvergieten te voorkomen met diplomatiek: ‘Er zijn tien eieren voor jou en tien eieren voor je zus’ zei ze plechtig, met de air van een scheidsrechter voor een bokswedstrijd. ‘Elkaar aftroeven heeft geen enkele zin, want ik neem alles in beslag en verdeel het weer eerlijk.’

Na de symbolische ‘go!’ van mijn vader stoof ik de tuin in: een prima start. Ik graaide in voederbakken, dook in hooibalen en klom in bomen. Mijn zus ging aanzienlijk rustiger te werk. ‘Hoeveel heb jij er!?’ riep ik terwijl ik hijgend langs haar rende. Ze stak vier vingers op. In mijn eigen emmertje rolde een eenzaam ei.

Door mijn naderende nederlaag ging ik nog vuriger zoeken, maar de eieren hielden zich voor mij verborgen terwijl mijn zus de ene na de andere uit holen en schuurtjes tevoorschijn trok.

We keken elkaar een lange seconde aan en sprintten weg

We troffen elkaar aan de zijkant van het huis. ‘Ik heb er al acht’ zei ze argeloos.

‘En jij?’

‘Ik ook’ zei ik hijgend en hield het emmertje met drie eieren verborgen achter mijn rug. Op dat moment keken we allebei dezelfde kant op. De oude boomstam: daar moest een ei in verstopt liggen. We keken elkaar een lange seconde aan en sprintten weg.

Mijn zus was zoals ik al zei toen nog langer en kon dus een stuk harder rennen. Ik wilde mijn poging om haar in te halen al staken, tot het lot anders besloot. Mijn zus struikelde, viel over een boomstronk en haalde haar scheen open. Kermend van de pijn lag ze in het zand. De paaseieren die ze met zo veel zorg had verzameld rolden door de tuin.

Ik keek op haar neer. David keek omlaag naar de gevallen Goliath. Tranen verschenen in haar ogen. Dit was het moment waarop ik mij als een Jezus had kunnen ontpoppen. Het moment waarop ik als de barmhartigheid zelve haar de hand had kunnen reiken, haar omhoog had kunnen helpen en echt een man had kunnen worden.

‘Geen zorgen. Ik ga hulp halen’ zei ik. En terwijl ik mij van haar afkeerde en mijn zus naar haar wond keek, vulde ik mijn emmer met haar gevallen eieren.

Niets meer missen van Bedrock?

Like hier onze Facebook-pagina en blijf up to date. Of schrijf je in voor de Bedrock-nieuwsbrief.