Het draagbare gemis: een vader die de kleding van zijn overleden zoon draagt

wpk-admin 7 mrt 2017 Mind

Nadat zijn zoon voorgoed was verdwenen, trok Frits Marnix Woudstra op een dag de oude trui van Lucas aan. En na de trui ook zijn t-shirts, sokken en zelfs onderbroeken.

‘O,’ zegt Frits Marnix Woudstra, wanneer het gesprek ten einde is, ‘ik herinner me ineens: ik had het dat eerste jaar steeds heel erg koud. Dat eerste jaar na Lucas. Ik had het vreselijk koud. Terwijl ik het nooit koud heb. Dus ik moest die trui wel aantrekken.’

Die trui – hij draagt hem nu ook, hier in zijn Amsterdamse atelier, waar het fris is en waar de afgelopen uren zacht uitgesproken zinnen zijn mond verlieten en even boven tafel bleven zweven, hun impact uitstellend. Het is een doodnormale, sportieve zwarte trui van Champion, met een capuchon. Het is ook een buitengewone trui, enig in zijn soort, het omhulsel van iemand die niet langer lijfelijk aanwezig is, maar wel zijn vorm achterliet in de stof. Een trui die op die ene foto staat, dat onvergetelijke beeld van een gelukzalig jongenshoofd tussen uitbundig bloeiende bloesemtakken en daaronder dan die trui, herkenbaar aan de witte stiksels op de schouders. De trui van zijn zoon.

Twee jaar geleden, op 17 december, maakte Lucas, 24 jaar oud en ernstig depressief, een einde aan zijn leven. Sindsdien probeert de vader hem op alle mogelijke manieren dicht bij zich te houden. ‘Spartelingen’ noemt Woudstra, kunstenaar, illustrator, schrijver, zijn pogingen. Dat Lucas’ zelfmoord zo verschrikkelijk
definitief is, daar wil hij ‘als dromer en praatjesmaker’ maar voor 99,9 procent aan. Daarom begon hij portretten van Lucas te schilderen. En te schrijven, koortsachtig te schrijven. Dagenlang zat hij hier in het atelier en haalde herinneringen op, schreef gesprekken uit en stuurde brieven aan zijn overleden zoon, brieven vol vragen, wroeging, ontroering, woede en humor. En Lucas schreef terug. Beheerst en zelfverzekerd (en soms best streng) roept hij zijn tobbende vader vanuit het hiernamaals tot de orde. De stukken verschenen in 2015 als boek: Lucas Casimir.

[pullquote]Hij wil contact houden. Aftershave, een scheermes, kledingstukken – ze zijn rechtstreeks verbonden met het lichaam van Lucas[/pullquote]

Schrijven was een houvast, vertelt Woudstra. Het was het enige waartoe hij in de maanden na het verdwijnen van zijn zoon in staat was. ‘Ik kwam hier binnen en begon meteen. Omdat ik in zo’n chaotische situatie zat, kon ik die concentratie opbrengen. En ik werd mijn eigen kind. Ik voelde alles, ik begreep alles, tot aan het einde toe.’

In die tijd moet hij naar die trui gegrepen hebben. Hij kan zich het precieze moment niet meer herinneren. En waarom hij het deed. ‘Nou ja. Die kleren wáren er, en het was Lucas. Het gemis was zo gigantisch, ik deed het om de pijn te verzachten, denk ik.’ Hij voelde geen aarzeling, door het schrijven waren alle barrières weg. Hij glééd erin, zegt hij. En behalve die trui trok hij ook de t-shirts, de broeken, de sokken, sportschoenen, zelfs de onderbroeken van Lucas aan. ‘Het is fijn en vertrouwd om de dag zo te beginnen,’ schrijft hij in het hoofdstuk ‘Melancholicaman’, waarin hij ook vertelt hoe hij ’s ochtends na het scheren de aftershave van zijn zoon opdoet.

Hij wil contact houden. Aftershave, een scheermes, kledingstukken – ze zijn rechtstreeks verbonden met het lichaam van Lucas. Hij kijkt naar beneden, naar zijn wit-met-rode Nikes. ‘Je voelt ook echt dat het zijn voeten zijn,’ zegt hij. ‘Zíjn billen, als je zijn zwarte boxershort draagt. Ook omdat het je kind is; het ís al van je. Je kinderen zijn uit jouw zelfstof en die van je vrouw gemaakt. De structuur is al aanwezig.’

Het gaat nog verder, zegt hij, en nu komt hij op dreef. ‘Wat dit betreft zie ik kleding in een breder verband.’ De hangmat bijvoorbeeld, die in de tuin van het buitenhuisje in Driemond (het ‘Epies Centrum’) door Lucas steevast tussen twee appelbomen werd opgehangen, die hangmat was ‘het verlengstuk van zijn lijf ’.

Tegelijkertijd is het ook je houvast als je je kind kwijt bent. Je weigert eigenlijk om toe te geven dat-ie weg is en niet terugkomt

‘Als ik daar ben,’ zegt Woudstra, ‘en ik hang die hangmat op, wat ik tot nu toe niet veel heb gedaan, dan zie ik de bolling van zijn lichaam. Dan zie ik waar hij lag.’ Met twee handen schetst hij teder de contouren van zijn zoon in de lucht. ‘Ik denk dat je het misschien zo moet zien: dat het niet alleen deze trui is of deze broek, maar veel méér dan dat. De hangmat is ook weer een kledingstuk. Net zo belangrijk als deze trui.’

Natuurlijk, hij weet: het zijn maar spullen. ‘Tegelijkertijd is het ook je houvast als je je kind kwijt bent. Je weigert eigenlijk om toe te geven dat-ie weg is en niet terugkomt. Dan is het fijn om die dingen te hebben. Kleren. En om opeens te zien, op die iconische foto van Lucas tussen de bloesembomen, dat hij die trui
draagt.’

De kleren zitten lekker. Comfortabel. Lucas en hij waren ongeveer even lang. En hoewel hun postuur niet overeenkwam (Woudstra constateert het grinnikend), zodat de spijkerbroek van G-Star bij zijn magere zoon om de benen slobberde en bij hem een stuk strakker zit, past alles hem ‘als een handschoen’. Hij is het alleen niet gewend om merkkleding te dragen, iets wat Lucas juist wel deed.

‘Hij was constant bezig, denk ik nu, met identificeren. Juist omdat-ie anders was. Hij was duizend keer slimmer dan de rest, hij doorzag alles. Maar hij viel steeds buiten de groep, hij had moeite om zich te conformeren. Ik wil niet oneerbiedig klinken, maar het was kopieergedrag, zoals bij jongens die allemaal een basketbalpetje uit New York opzetten.’

[source id=”attachment_28071″ align=”none”][/source]

In Lucas Casimir schrijft hij: ‘Wist u dat kleren van overledenen, gedragen door bijvoorbeeld de vader of moeder, veel sneller slijten? Zeker bij zolen van schoenen is dit het geval. Iemand sprak mij daarover aan.’ Zelf heeft hij er nog niets van gemerkt. De zolen van Lucas’ sportschoenen waren al behoorlijk versleten toen hij ze ging dragen. Hij denkt er niet zo over na. Behalve de zwarte pet die Lucas vaak droeg, heeft hij alles ook gewoon al in de was gegooid. ‘Ze zullen best gaan slijten. Maar dat is niet erg; ik draag eigenlijk altijd een beetje versleten kleding. Ik denk dat ik heel lang met deze kleren zal doen.’ En dat gat in de knie van zijn spijkerbroek? ‘Zat er al in. Ja. Maak je geen zorgen. Lucas heeft die broek met gat en al gekocht.’

Dit verhaal werd geschreven door Merel Bem en verscheen eerder in Dit boek gaat niet over mode: de kracht van kleren, door Cecile Narinx, Marije van Regenmortel en Merel Bem.

Reageer op artikel:
Het draagbare gemis: een vader die de kleding van zijn overleden zoon draagt
Sluiten