Op 4 mei zijn we stil voor iedereen

Wanneer je die twee minuutjes je smoel houdt en voor je uitstaart, mag je toch zelf bepalen wie je herdenkt?

Het is 3 mei. Mijn vreemde vriend Bob loopt een eindje voor mij uit. De lucht om ons heen voelt broeierig alsof er een zomerstorm in de lucht hangt, maar het blijkt een lentebui. We ruiken vochtig gras terwijl we de begraafplaats oplopen. ‘Weet je wat je moet zeggen als je een Duitser ziet?’ vraagt Bob terwijl hij het hek openhoudt. ‘Du hast etwas verloren!’ en dan draait hij zich om en vraagt ‘Wass dann?’ en dan roep je: ‘der Krieg!’

‘Volgens mij is het in dit geval den Krieg’ zeg ik, maar ik lach iets te hard. Grappen zijn het leukst als ze eigenlijk niet mogen, dat is het hele probleem met humor, of is het juist de kracht? Hoe dan ook: we zijn niet op de begraafplaats om moppen te tappen. We zijn hier om de opa van Bob te herdenken.

We vinden het graf van Bobs opa. Het is een modderig graf met een bemoste steen. In het midden ligt een leeg zakje Croky chips. ‘Die ligt daar niet bewust’ stelt Bob me gerust. ‘Al hield de beste man wel van een snack op z’n tijd.’

‘Wat was jouw opa voor een man?’ vraag ik.

‘Een oen in zekere zin. Hij was achttien toen de oorlog uitbrak. In de jaren daarvoor was hij verliefd geworden op een Duits meisje en hij fietste elk weekend tachtig kilometer om haar te zien. Op de nacht van 9 op 10 mei 1940, toen hij de vliegtuigen over hoorde komen als een woedende zwerm wespen, sprong hij op zijn fiets en fietste in één ruk naar haar toe: langs pantserdivisies en commandoposten. God weet hoe hij het gered heeft. Hij deed er ruim vier uur over op de fiets, dus je zou zeggen dat hij genoeg tijd gehad moest hebben om zich te bedenken, maar dat deed hij niet.’

Bob pakt het zakje Croky chips en legt het op de steen. ‘Misschien had ik een bloemetje mee moeten nemen.’ Mompelt hij. Het regent zachtjes.
‘Hoe ging het verder?’ vraag ik.

‘Hij stuurde af en toe een brief naar zijn ouders dat alles goed was, maar meer werd er niet van hem vernomen. Tot de eerste verhalen kwamen: Nederlandse jongens hadden hem in een wehrmachtuniform gezien. Ze waren voedselvoorraden aan het jatten uit een schuur bij de grens toen mijn opa op een motor aan was komen rijden. Hij had op ze geschoten, maar hij had niet eens zijn best gedaan om ze te raken. De jongens hadden het, de zakken met eten over hun schouder, op een lopen gezet en mijn opa riep ze na: ‘Grussen am die familie! Und smacklich essen!’

Bob plukt een distel en legt deze op het graf van zijn opa. ‘Vlak na de bevrijding kwam hij ineens weer het erf van zijn ouders op fietsen. Die stelden geen vragen, en hij vertelde ze alleen dat hij getrouwd was geweest, maar dat zijn vrouw in ’44 was omgekomen bij een bombardement. Het is een klein wonder dat hij na de oorlog niet is vervolgd. Hij was toch wel een flinke landverrader natuurlijk.’

‘Wat gebeurde er dan met hem?’ vroeg ik. ‘Hij ging in dienst.’ Zei Bob. ‘Zijn vrienden dachten dat het uit schuldgevoel was, maar hijzelf zei dat het was omdat hij niets beters te doen had. Hoe dan ook, in 1947 werd hij naar Nederlands-Indie gestuurd om mee te doen aan de politionele acties. Hij had aanzien omdat hij zo goed kon schieten. Hij kreeg er veel complimenten over. “Dat heb ik van die moffen geleerd, die konden schieten,” zei hij dan met een grijns. “Maar dat hoef ik jullie niet te vertellen.”

Bob gniffelt. ‘Maar ja, schieten heeft hij daar natuurlijk weinig gedaan, want hij werd verliefd op een Indonesische vrouw: mijn oma. “Jongens, ik ben verliefd. Ik loop over,” zei hij tegen zijn eenheid. “de groeten!” Nog voor zijn kameraden goed en wel begrepen wat hij had gezegd was hij al in de struiken verdwenen. Weken later zagen ze hem in Indonesische kleding met een machinegeweer door een sawa kruipen. Hij had op ze geschoten, maar raakte daarbij alleen wat bomen.’

Bob raapt het lege zakje chips toch maar op en propt het in zijn zak. ‘Hij stierf in Nederland, kort na mijn geboorte.’

Twee zestigers met een hondje lopen achter ons langs. De man werpt een blik op Bob en het graf van Bobs opa. ‘Denk maar niet dat hij herdacht wordt morgen’ mompelt hij.

‘Mag ik godverdomme zelf bepalen wie ik herdenk?’ zegt Bob. Het echtpaar loopt geschrokken verder en de man moet daarbij het hondje meesleuren, want die stond aan mijn broekspijpen te snuffelen.

‘Dat is toch ook vrijheid?’ zegt Bob. ‘Dat je, wanneer je die twee minuutjes je smoel houdt en voor je uitstaart, zelf mag bepalen wie je herdenkt. Nederlanders, Duitsers, Indonesiërs, verzetshelden en landverraders. Die idioten die denken dat er een goed en slecht bestaat, ik heb met ze te doen.’ Bob maakt zich kwaad. Ik zie dat hij rood wordt. Ik klop hem broederlijk op zijn rug. ‘Kom, we gaan een bloemetje halen.’

Meer lezen

Herdenken: waarom het zo belangrijk is.