Zijn vetten echt zo slecht voor je?

Vetten, cholesterol en het risico op hart- en vaatziekten

De gezondheid van vetten is al lange tijd onderwerp van discussie. Aanvankelijk leek het logisch, van vet word je vet, van vet slibben je bloedvaten dicht: dus is het ongezond. Maar toen dat door de Amerikaan Ancel Keys nader onderzocht werd bleek dat de hoeveelheid vet in onze voeding de kans op hart- en vaatziekte niet beïnvloedde.

Inmiddels was echter ook bekend dat er verschillende soorten vet zijn: verzadigd en onverzadigd vet. Keys toonde aan dat mensen in landen waar veel verzadigd vet werd gegeten vaker hart- en vaatziekten hadden. Voilà, de zondebok was gevonden! Maar zo’n observatie toont natuurlijk nog geen causaal of oorzakelijk verband aan; er was nu alleen een vermoeden dat het eten van verzadigd vet de kans op hart- en vaatziekten verhoogde.

In de daaropvolgende jaren werd daarom uitgebreid onderzoek gedaan naar die relatie tussen verschillende soorten vet en hart- en vaatziekten. Omdat het wachten op een hartinfarct zo lang duurt koos men ervoor om te kijken naar de invloed van het eten van verschillende soorten vet op een stof in ons lichaam die de kans op hart- en vaatziekten als het ware voorspelt. Een hiervoor bruikbare stof (‘marker’) bleek ons cholesterol. De meest betrouwbare marker was niet ons totaal cholesterol (TC), ons (‘slechte’) LDL-cholesterol of ons (‘goede’) HDL-cholesterol, maar de verhouding tussen het TC en het HDL-cholesterol (de TC/HDL-ratio). Hoe lager de TC/HDL-ratio, des te lager je risico op hart- en vaatziekten. De inname van cholesterol met de voeding zelf bleek overigens niet van invloed op de hoeveelheid cholesterol in ons bloed en ook niet van invloed op de kans op hart- en vaatziekten of sterfte. Cholesterolconsumptie kunnen we dus wegstrepen als risicofactor. Maar de hoeveelheid cholesterol in ons bloed, voorlopig, nog niet.

In bovenstaande figuur zijn van links naar rechts de invloeden van verschillende soorten verzadigd vet (12:0 = kokosvet, 16:0 en 18:0 = dierlijk vet), enkelvoudig onverzadigd vet (olijfolie, MUFA) en meervoudig onverzadigd vet (o.a. visolie, PUFA) op ons cholesterol weergegeven.

Als we alleen naar de TC/HDL-ratio kijken, de beste marker om hart- en vaatziekten te voorspellen, zien we dat onverzadigde vetten in theorie een sterk beschermend effect hebben tegen hart- en vaatziekten, terwijl verzadigd vet, met uitzondering van kokosolie, ongunstig is. Maar we willen de theorie niet weten: we willen weten of die verschillende soorten vet écht de kans op een hartinfarct beïnvloeden?

Voor de onverzadigde vetten (olijfolie en visvetzuren) wordt deze theorie door studies ondersteund. Uit een heel groot onderzoek waarbij alle soorten verzadigd vet tezamen werden vervangen door simpele suikers (uit bijvoorbeeld frisdrank of wittebrood) nam de kans op een hartinfarct met 33% toe. Snelle suikers zijn dus vele malen ongezonder dan verzadigd vet. Bij vervangen van verzadigd vet door groente was er geen effect. Verzadigd vet is dus net zo (on)gezond als groente.

Concluderend zijn onverzadigde vetten duidelijk gezond voor ons. En verzadigd vet heeft volkomen onterecht een slechte naam. Verzadigd vet is net zo gezond als groente. Echt ‘bang’ zouden we moeten zijn voor de simpele suikers die aan een heleboel van onze voedingsmiddelen worden toegevoegd. En die kokosolie dan? Behalve het gunstige effect van kokosolie op de TC/HDL-ratio, een surrogaatmarker voor hart- en vaatziekten, zijn er geen data die dit theoretische effect in de praktijk ondersteunen.